
Aan de hoek van een ronde tafel
Zat een pasgeboren oude grijsaard
Te lezen in een dichtgeslagen boek
Bij het licht van een uitgeblazen kaars
Die achter hem stond te flakkeren
Plotseling schrok hij op van een knal die er niet was
Sloeg zijn vrouw dicht
Gaf de kast een zoen
Rende de trap op naar beneden
Sprong op zijn horloge
Keek op zijn fiets hoe laat het was
En even later scheurde hij
Met een snelheid van 0,0
Door een rechte bocht
Van een kromme straat
Daar werd hij aangereden door een elektrische paardentram
Die juist benzine stond te tanken
Hij viel achterover op zijn buik, in een plasje zand
En drie dagen na zijn dood stierf ’tie
Zodoende kwam hij drie weken te laat op zijn eigen begrafenis