molenaar

Ad Apc fens - 30-09-2015


Type: versje

het begint met:

Er was er eens een molenaar
die had drie zoons een ezel en een kat








Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *




4 reacties

  1. Best Ad,

    Er was eens een molenaar is het verhaal, lied of musical van de Gelaarsde Kat.

    Je kunt het ook beluisteren. Is het een van deze?

    https://youtu.be/_IDg-eqjKQs

    https://youtu.be/2jQ0sfGlpSw Kevin van Eikeren

    https://youtu.be/V9qNza_EiIk Sprookje van Charles Perrault

    https://youtu.be/OWhwFbdXu0Y Efteling sprookjes de gelaarsde kat

  2. De gelaarsde kat (in rijmvorm)
    De markies van Carabas

    Eens maar nu reeds lang geleden,
    mogelijk wel duizend jaar,
    leefde er dicht bij ’t naaste dorpje,
    met drie zoons een molenaar.

    Hij was oud al, en zijn molen
    en zijn ezel, en zijn kat,
    dat was alles wat ter wereld
    onze molenaar bezat.

    Toen hij stierf liet hij de molen
    aan zijn oudste jongen na;
    voor zijn tweede zoon was de ezel,
    en de jongste kreeg?… Ha, ha!

    Kattepoes. – Maar met dat erfdeel
    was hij lang niet in zijn schik;
    “Jullie,” zei hij tot zijn broeders,
    “kunt best leven zo; maar ik,

    wat moet ik met poes beginnen?
    Haar verkopen? Maar wat dan?
    Muizen op de zolder vangen,
    dat is alles wat zij kan.”

    Toen hij nu zo klaagde en morde,
    keek de poes hem ernstig aan,
    en op eens, maar ’t was onmogelijk!
    Had hij dat wel goed verstaan?

    Zeker wel, het was zijn poesje,
    dat hem aansprak: “Meesterlief!”
    zei ze, “wees niet zo mistroostig:
    ben ‘k je zo tot ongerief?

    Nu, niet lang zul je dat zeggen;
    laat voor mij, je zult eens zien
    een paar mooie laarsjes maken,
    en een knapzak bovendien.

    Dan zal ik mijn kunst je tonen,
    en je zult nog zeggen, dat
    je er overbest mee af bent
    dat je mij tot erfdeel had.”

    De arme molenaarszoon begreep niet,
    wat de poes bedoelde; maar
    toch liet hij zich overhalen.
    Dus de jonkman kocht voor haar

    eerst een paar gelakte laarsjes,
    die zij aantrok flink en vlug,
    toen een linnen zak met banden,
    en die hing zij op haar rug.

    Op haar achterpoten stapte
    zij nu heel parmantig voort
    naar de duinen; want ons poesje
    had wel menigmaal gehoord,

    dat daar veel konijnen waren.
    Voor een pas gegraven gat
    spreidde zij de zak wijdopen,
    en zij zelf, de slimme kat,

    school toen weg in ’t gele bremkruid,
    en het duurde niet heel lang
    of daar kwam een grijs konijntje
    neuzen uit zijn donkere gang,

    en begon, de poes had heel wijs
    peentjes in de zak gedaan,
    aan die worteltjes te smullen.
    Poesje zag dat loerend aan,

    en opeens trok zij de banden
    van de zak toe. – Lieve tijd!
    ’t Arm konijntje hielp geen schreeuwen,
    ’t was voor goed zijn leven kwijt.

    Met haar vangst liep poesje dadelijk
    in triomf de velden door,
    naar de stad, naar ’t hof des konings
    en daar vroeg zij om gehoor.

    Zijne Majesteit, nieuwsgierig
    waarom een gelaarsde kat
    met een knapzak, hem moest spreken,
    en wat zij te zeggen had,

    liet haar in de troonzaal komen.
    Poesje boog en zei alras:
    “Sire, uit naam van mijn meester,
    de markies van Carabas,

    heb ik de eer u aan te bieden,
    dit zeer mals en jong konijn.
    Als u ’t aanneemt, zal mijn meester
    daarvoor hoogst erkentelijk zijn.”

    “’t Is heel vriendelijk van uw meester,”
    zei de koning, “‘k dank hem wel.”
    Buigend ging ons poesje heen…
    Half gewonnen was haar spel.

    Een paar dagen later stapte
    kattepoes naar ’t korenland;
    daar lei zij haar knapzak naast zich
    bij een greppel op de kant,

    en zij zelf ging liggen snorken
    of zij sliep, heel vast en zwaar,
    maar toch waakte ’t loze katje.
    “Stil,” zo dacht ze, “houd je klaar,

    want daar komen twee patrijsjes
    gluren uit het hoge graan
    naar de gerst, die ‘k in mijn zakje
    tot een lokaas heb gedaan.”

    ’t Paartje kwam al na en nader,
    en ze pikten; maar pardoes!
    Beiden voelden zich gevangen
    in de zak van kattepoes.

    ’t Ging hun evenals ’t konijntje.
    Met haar nieuwe vangst belaan
    trok de poes weer naar de koning,
    en bood hem de vogels aan.

    Zijne Majesteit was wel zo
    vriendelijk nog als d’eerste keer,
    Ja, hij gaf poes zelfs een fooitje,
    en – dat schonk zij aan haar heer.

    Zo nu deed zij twee, drie maanden:
    telkens bracht ons poesjenel
    heerlijk wildbraad bij de koning,
    en ’t heette altijd op bevel

    van haar hoge heer en meester,
    de markies van Carabas.

    Toen nu poes op zekere morgen
    van des konings hofportier
    had vernomen, dat de koning,
    met zijn dochter, voor plezier

    op die dag wat zou gaan toeren
    in de nieuw vergulde koets,
    liep zij haastig naar haar meester,
    en zij riep: “Nu heeft je poes

    iets bedacht, waardoor je spoedig
    uit je zorg en nood geraakt,
    ‘k wed, volg je mijn raad, dan is wel
    zeker je fortuin gemaakt.

    Maar dan dien je te gaan baden
    op een plekje in de rivier,
    dat ik je eens gauw zal wijzen…
    Meester, kom maar even hier!”

    “Nu,” zo dacht haar arme meester,
    “‘k weet: mijn poes is lang niet dom;
    ‘k zal dus doen, wat zij mij voorstelt,
    schoon ik niet begrijp waarom.”

    Toen hij daar nu proestte en plaste
    in het frisse, koele nat,
    reed de koning met zijn dochter
    juist voorbij, en ging de kat

    gauw uit al haar macht aan ’t schreeuwen:
    “De markies van Carabas
    zal verdrinken! Help! Help!
    Help hem uit de diepe plas!”

    Zijne Majesteit, die ’t angstig
    schreeuwen hoorde van de poes,
    en haar ook terstond herkende,
    reed niet verder met zijn koets,

    maar beval aan zijn lakeien
    om de heer van Carabas
    ogenblikkelijk te redden
    uit de diepe waterplas.

    Ondertussen stapte eerbiedig
    kattepoes naar ’t rijtuig heen;
    deftig boog zij voor de koning,
    en vertelde hem meteen,

    dat, terwijl haar meester baadde,
    er een dief gekomen was,
    die zijn mooie bovenkleren
    weggenomen had van ’t gras.

    “Wel, dat is zeer ongelukkig!”
    sprak de vorst, “dat doet me leed.”
    Hij beval terstond een dienaar
    in ’t paleis het rijkste kleed

    voor de heer markies te halen,
    – die het aantrok, vlug en snel,
    en die schitterende kleding
    stond de jonkman wonderwel.

    “Heer markies, kom bij ons zitten,”
    zo sprak hem de koning aan,
    “‘k zal u naar uw woning brengen.
    Is die hier nog ver vandaan?”

    Poes, die merkte dat haar meester
    bloosde van verlegenheid,
    nam het woord op, en sprak:
    “Haast een uur, uwe Majesteit!”

    “‘k Zal vooruit gaan, en uw aankomst
    melden.” – Onze molenaarszoon
    weifelde in de koets te stappen,
    zoiets was hij niet gewoon.

    Maar toen poesje hem een wenk gaf,
    steeg hij toch in de koets,
    en daar zat hij nu zeer deftig
    tegenover koning en prinses.

    “‘k Dien,” dacht poes, “nu wel te zorgen,
    dat het verder goed blijft gaan,
    of mijn ijver brengt mijn meester
    nog maar weinig voordeel aan.”

    Dapper stapte daarop poesje
    voor het rijtuig uit, en was
    spoedig bij een wei gekomen,
    waar de maaiers ’t hoge gras

    met hun scherpe zeisen velden.
    “Goede vrienden!” Sprak de kat,
    “als je strakjes aan de koning
    op zijn vraag niet antwoord, dat

    de markies van Carabas deze
    wei behoort; dan, op mijn eer
    laat hij u in stukjes hakken,
    denkt daaraan, ik zeg niets meer.”

    Wat de maaiers danig schrokken
    bij die woorden van de kat!
    ’t Was dan ook geen wonder dat men
    vrees voor zo’n bedreiging had.

    Toen de koning kort daarna dus
    vroeg: van wie die weide was?
    Riepen luidkeels al de maaiers:
    “Van de markies van Carabas!”

    “Zo, markies! Dat is uitmuntend
    weiland, hoor!” hernam de vorst;
    maar de jonkman zweeg, omdat hij
    toch zo grof niet jokken dorst.

    Ondertussen was ons poesje
    doorgestapt en, na een poos,
    bij een korenveld gekomen,
    waar zij weer, even loos,

    met de maaiers wist te praten.
    “Vrienden!” zei ook thans de kat,
    “als je strakjes aan de koning
    op zijn vraag niet antwoordt, dat

    de markies van Carabas dit
    graan behoort, dan, op mijn eer,
    laat hij u in stukjes hakken,
    denk daaraan, ik zeg niets meer.”

    Hoe ook deze maaiers schrokken
    bij die woorden van de kat!
    Was het ook wel wonder dat men
    vrees voor zo’n bedreiging had?

    Toen de koning dus al spoedig
    vroeg: van wie dat koren was,
    riepen snel ook deze maaiers:
    “Van de markies van Carabas!”

    En de koning stond verwonderd,
    dat de markies van Carabas
    zulk een rijke grondbezitter,
    zo’n aanzienlijk heerschap was.

    “‘k Maak u duizend complimenten,”
    zei de vorst op blijde toon.
    ’t Prinsesje lachte vriendelijk
    naar de arme molenaarszoon.

    Eindelijk was de poes gekomen
    bij een prachtig, groot kasteel,
    sterk van torens en van transen,
    met een valbrug en rondeel.

    In dat trots kasteel daar woonde
    een gevreesde tovenaar,
    bars van uitzicht, boos van harte,
    met een stem, geducht en zwaar.

    Kattepoes vroeg hem te spreken,
    gauw streek zij haar knevels glad,
    en nu stapte zij de zaal in
    waar hij in zijn leunstoel zat.

    “Machtig heer! Uw dienaresse,”
    zei ze tot de tovenaar,
    “‘k bied aan u oprecht mijn hulde,
    al is ook de helft slechts waar

    van hetgeen men mij verhaalde
    van uw kunst, gestrenge heer!”
    “En, wat heb je dan vernomen?”
    vroeg de tovenaar het poesje weer.

    “Dat u zich plotseling kunt veranderen
    in een leeuw of in een muis.
    Maar ik denk: wie ’t mij vertelde,
    jokte dat of was abuis.”

    “Stellig niet, het is de waarheid,”
    zei nu fier de tovenaar,
    “‘k Wil mijn kunsten wel eens tonen,
    let goed op, ‘k ben aanstonds klaar.”

    En opeens, daar was de tovenaar
    een verschrikkelijk grote leeuw!
    Hu! Het was om bang te worden;
    poes tenminste gaf een schreeuw,

    en ze vloog naar ’t eind der eetzaal
    met een vliegensvlugge vaart,
    want de leeuw begon te brullen
    en te zwaaien met zijn staart.

    Toen de tovenaar de gedaante
    van een mens hernomen had,
    kwam de poes weer uit haar schuilhoek,
    en toen zei de slimme kat:

    “‘k Was daar haast van schrik gestorven;
    maar ik twijfel toch met recht
    of u nu een muis kunt worden,
    zoals ook al wordt gezegd.”

    Stuurs en brommend zei de tovenaar:
    “Twijfel je daar nu nog aan?
    Opgelet dan, ‘k heb dit kunstje
    u nog gauwer voorgedaan.”

    En… Wat piepte daar? Een muisje
    was opeens de tovenaar…
    Flap! Eén sprong… Poes greep de muis en
    at haar op met huid en haar.

    Nu was juist des konings rijtuig
    aangekomen voor de poort.
    Poes, die ’t kraken van de wielen
    op de zandweg had gehoord,

    liep zo vlug zij kon de koning
    en zijn dochter tegemoet,
    en wel tienmaal deftig buigend,
    sprak zij: “Sire! Wees gegroet

    bij uw komst in ’t oude burchtslot
    van de markies van Carabas!”
    Wat haar meester, de arme jongen,
    bij die woorden angstig was!

    “Wel, markies! Behoort dit vorstelijk,
    trots kasteel u ook al toe?
    ‘k Vind het prachtig, keurig, heerlijk,
    ‘k word het kijken maar niet moe.

    ‘k Zu het ook wel graag van binnen
    eens beschouwen,” sprak de vorst.
    Onze jonkman dacht er over,
    of hij dat wel wagen dorst.

    Maar de poes was met de koning
    reeds de trappen opgegaan,
    en haar meester bood zijn arm dus
    ’t lief prinsesje hoffelijk aan.

    Hij geleidde haar zeer deftig
    naar de rijk versierde zaal,
    waar de tovenaar voor zijn vrienden
    juist een overheerlijk maal

    aangericht had; maar die vrienden
    bleven weg, nu zij de koets
    van de koning zagen wachten.
    Ondertussen had de poes

    reeds de glazen vol geschonken
    met een geurig zoete wijn.
    “Neen, zo’n feestmaal,” sprak de koning,
    “kan bij mij niet beter zijn.”

    En daar hij wel zag dat alles
    louter pracht en weelde was,
    nam hij ’t glas op en zei vriendelijk:
    “Heer markies van Carabas!

    ‘k Wil op uw gezondheid drinken,
    met deze heerlijk zoete wijn,
    en ik moet u tevens zeggen,
    dat ik zeer vereerd zal zijn,

    als je met mijn dochter trouwen
    en mijn schoonzoon worden wilt.”
    Poes had reeds een achterpootje
    om te dansen opgetild,

    toen haar meester plotseling knielde
    voor de koning – lieve tijd!
    En hem om vergiffenis smeekte
    poes was al haar danslust kwijt…

    Maar ook nu weer wist ons poesje
    zich er dapper door te slaan.
    “Slechts uit liefde voor mijn meester,
    Sire! Heb ik zo gedaan!”

    riep ze, en ging toen aan ’t vertellen.
    En de koning zei: “Opgelet,
    daar je ’t deed voor je arme meester,
    slimme poes! Vergeef ik het!

    Maar pas op! Nu nooit meer jokken!
    Ook aan jou, heer Carabas,
    zal ik ook maar niets verwijten,
    omdat het toch je schuld niet was.

    En,” vervolgde hij, tot zijn dochter:
    “Trouwen wil je zeker wel?
    Daarom geef ik je ten huwelijk
    aan de baas van poesjenel.”

    En toen nam de goede koning
    beiden lachend bij de hand,
    en dezelfde dag kwam ’t huwelijk
    van ’t prinsesje nog tot stand.

    Onze poes vroeg op de bruiloft
    de markies van Carabas:
    “Heb je nu nog spijt, mijn meester,
    dat ik eens je erfdeel was?”

    “Nee, mijn poes… En om te tonen
    dat ik niet ondankbaar ben,
    en je goede, trouwe diensten
    heel mijn leven door erken,

    zul je dagelijks aan mijn tafel
    eten, wat je maag maar lust,
    en zal ik je een slaapmand geven,
    waar je lekkertjes in rust.”

    ’t Bal orkest begon te spelen,
    ’t volk op straat riep luid: hoezee!
    En de kat danste op haar laarzen,
    achter ’t jonge bruidspaar mee.

    Toelichting
    Van de gelaarsde kat zijn op de Wereld Volksverhalen Almanak twee versies aanwezig. Zie ook: De gelaarsde kat.
    Bron
    “De sprookjes van Moeder de Gans” door Charles Perrault, berijmd door Ant. L. de Rop. Foresta, Groningen.

    Oorspronkelijke titel: Le Maistre chat, ou le Chat botté

  3. Het verhaal van de molenaar

    Er was eens een arme molenaar
    Die was altijd gelukkig, maar één keer per jaar
    Verjaarde zijn vrouw en dan baalde hij zo.
    Nooit had hij eens geld voor een prachtig cadeau.
    Hij lag ervoor krom, hij spaarde ervoor,
    Maar er was altijd wel wat en dan ging het niet door.
    Soms was hij er bijna, maar dan kreeg hij weer pech
    Ging de wind weer eens liggen, was zijn spaargeld weer weg.
    Want zonder wind kan een molen niet malen
    En moest hij brood van het spaargeld betalen.
    En elk jaar weer zei hij diep gegeneerd:
    Weer geen cadeau schat, maar gefeliciteerd.
    En dan antwoordde altijd de molenaarsvrouw:
    Ach zonder cadeau hou ik ook wel van jou
    Want maakt het nou uit, het leven gaat door
    Ik hoef geen cadeau, de molen gaat voor.
    Maar op een keer, een verjaardag, geheel onverwacht
    Het was niet te geloven, wie had dat gedacht,
    Lag er een pakje op haar stoel naast de schouw
    Met een brief waarop stond cadeautje voor jou
    De jarige job gaf haar man toen een zoen
    En zei: schatje dat had je nou niet hoeven doen.
    Maar wat zou het zijn, dacht de molenaarsvrouw
    En de molenaar zei: het is echt iets voor jou.
    Een jurk, riep ze, of is het een hoed
    Of zo’n bus waar je vermicelli in doet?
    Wie weet, zei de molenaar, misschien wel een sjaal
    Of een paar stadse schoenen of een zilveren schaal.
    Wie zal het zeggen, misschien wel een klok
    Of zo’n mokkenrekstok met per stokje een mok.
    Het kon ook een kip zijn of een kilo roquefort.
    Ze lachten zich rot en verzonnen maar door.
    Een tweepersoons ligbad met bubbels erin,
    Een jaar gratis wind voor het hele gezin.
    Het werd alsmaar gekker: een vliegend tapijt
    Een reis naar de maan, met hotel en ontbijt.
    Wie weet was het wel en zingende zaag,
    Of een varkentje met een knorrende maag,
    Of een fabriekje in leverpastei.
    Het molenaarsechtpaar kwam niet meer bij.
    Nog nooit had de vrouw zo’n verjaardag gehad
    Wat een cadeau zeg, wat prachtig was dat.
    De molenaar werd toen op zijn beurt verrast
    Want zijn vrouw borg het pakje op in de kast
    En zei: als jij jarig bent krijg jij het van mij
    En dan verzinnen we samen de inhoud erbij.
    Aldus werd besloten en twee keer per jaar
    Gaven ze steeds het cadeau aan elkaar.
    Jaar in jaar uit, ging het altijd weer zo
    Wel honderd keer lol van hetzelfde cadeau.
    Zoals iedereen zijn ook zij doodgegaan
    En is het cadeau mee het graf in gegaan
    En wat er nou inzat, vraag daar niet naar.
    Het gaat niet om de inhoud, maar om het gebaar.
    Klaar.

    Uit: Leve het nijlpaard! Harrie Jekkers en Koos Meinderts

  4. Snel opgelost verdient een pluimpje.

We gebruiken cookies om er zeker van te zijn dat u onze website zo goed mogelijk beleeft. Als u deze website blijft gebruiken gaan we ervan uit dat u dat goed vindt. Meer informatie

Wij gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website voor de bezoeker beter werkt. Daarnaast gebruiken wij o.a. cookies voor onze webstatistieken.

Sluiten